fbpx

Brusselaars aller landen, verenigt u!

U bent hier Home » OPINIE » Brusselaars aller landen, verenigt u!
Geschatte leestijd: 7 minuten

Open brief door Eva De Gelder

Beste Brusselaar, 

174 jaar geleden hadden wij een icoon in ons midden. Dat midden mag u overigens letterlijk nemen, want het was pal in het hart van ons Gewest, in de Jean d’Ardennestraat in Elsene, dat dit heerschap werkte aan zijn revolutionaire manifest dat de wereld zou veranderen. Het zou markanter zijn mocht het pakweg 150 of 200 jaar geleden zijn, I know, maar de behoefte en nood aan actie zou een belangrijkere beweegreden moeten zijn tot herdenking dan een jaartal dat zich makkelijk laat afronden. 

In 1847 schreef Karl Marx zijn communistisch manifest in Brussel – je weet wel, ‘proletariërs aller landen, verenigt u!’ –  en dit is een gegeven dat we al te vaak vergeten en niet genoeg eren. Los van mij in één richting of de andere uit te spreken over mans politieke overtuiging, mogen we, nee, moeten we trots zijn op het feit dat hij hier een dergelijk manifest kón schrijven, zonder censuur of betutteling. Mijn beste Brusselaar, het is hoog tijd voor een nieuw manifest, een manifest voor én door Brussel. 

Grootstadmanie

Er is namelijk iets kapot in onze stad, en dan heb ik het niet over de roltrap van de metro. Racisme, armoede, homofobie, seksisme, zwerfvuil: ze maken zo intrinsiek deel uit van ons dagelijks leven dat het bijna lijkt alsof we ze aanvaard hebben, alsof het nu eenmaal de spijtige realiteit is die hoort bij een grootstad als Brussel, en dat laatste is iets dat we met trots verkondigen. 

Ja, we kloppen ons graag op de borst met onze grootstedelijkheid, wij Brusselaars, hoe multicultureel we wel niet zijn, hoe divers, een ware metropool, een tolerant en open-minded eiland te midden van kneuterigheid en kleinburgerlijkheid. We gebruiken dit label als een excuus voor onze problemen, we keren ze de rug toe en praten ze ermee goed, alsof een metropool er niet van zou mogen dromen zijn misdaad aan te pakken, of zijn vrouwonvriendelijke straten, zoals recentelijk  – helaas – nog maar eens bewezen.

Hoe kan het dat we nog steeds aanvaarden dat we afhankelijk van de taal die we spreken of de kleur die onze huid draagt anders benaderd worden door de politie of door winkelbedienden? Hoe kan het dat we aanvaarden dat wanneer een jong holebikoppel in elkaar wordt geslagen, we zeggen dat ze dan maar niet hand-in-hand hadden moeten lopen in een bepaalde wijk? Dat er met de vrieskou van de voorbije weken mensen lagen te slapen voor het leegstaande Bloom hotel, terwijl er achter de gevel honderden bedden klaar stonden?

Doen we onze stad, ons gewest, net geen onrecht aan door deze kwesties zo makkelijk onder de metropole mat te vegen? Diep vanbinnen weten we dit wel, maar we lijden met zijn allen aan grootstadmanie, en van zodra er ook maar iemand commentaar uit op onze stad schieten we in een hysterisch verweer.

Ik ben de eerste om het toe te geven dat ik mij van bovenstaande argumenten bedien om mijn stad te verdedigen. Grootstad, altijd iets te beleven, multicultureel, lalala: the whole shebang. Het klinkt zo goed. Het klinkt alleszins beter dan dat ik zou toegeven dat ik mijn kledij aanpas al naargelang mijn bestemming in de stad, of dat ik bepaalde wijken probeer te vermijden omdat ik geen zin heb in 10 catcalls op pakweg 80 meter afstand, maar eerlijkheid lijkt mij hier op zijn plaats, want het is een valse liefde die we bepleiten wanneer we schouderophalend ‘ach ja’ zeggen en verder gaan. We strekken er niemand mee tot eer, onze stad nog het minst van al, want door het probleem niet aan te kaarten, maar uit de weg te gaan, verstevig je juist zijn positie. 

Clichés en eenheidsworst

Hoe open-minded zijn we trouwens echt? Hoe vaak treden we buiten onze begane paden? Hoe metropool zijn we als ons leven zich beperkt tot drie straten? De Dansaert-Vlaming, de Molenbeekse Marokko-Belg, de Engelssprekende Eurocrat, om er maar een paar te noemen, evolueren we niet meer om meer richting deze stereotypen gedicteerd door onze taal van omgang, onze wijk, ons inkomen, onze afkomst? Hoeveel contact hebben we echt met elkaar, als we heel eerlijk zijn? Wat deelt de gemiddelde twintiger uit Sint-Joost nog met een Ukkelaar op pensioen? Wat delen de inwoners van Petite-Anatolie met een witte, Nederlandstalige inwijkeling uit Aalst zoals mijzelf? Hoe vaak treed ik buiten het zogenaamd ‘coole’ Brussel?

Want nu mijn waarheidsserum op dreef komt zal ik gelijk maar toegeven dat grosso modo 80% van mijn activiteiten plaatsvinden in een straal van 100 meter rond Saint-Catherine, wandelend wit cliché dat ik ben. Ik begrijp het heus, het is makkelijk en aangenaam te vertoeven tussen ‘gelijken’, maar drijf dergelijk sociaal gedrag te ver door en je krijgt dit als resultaat: clichés, een bestendiging van het eigen gelijk, een verwatering van de empathie, een vervreemding van ‘de ander’, en buurten die afgesloten lijken door onzichtbare elektrische hekken. 

Dus waar pleit ik eigenlijk voor? Alleszins geen eenheidsworst, verre van, maar een worst is een worst door zijn vorm, ongeacht of hij varkensvlees, halal kippenwit of geprakte kikkererwten bevat, ongeacht of we hem saucisse of sausage noemen. Onze kracht schuilt precies in deze verscheidenheid, onze bi-, tri- en andere lingualiteit, en in plaats van deze te gebruiken als excuus om ons van elkaar te distantiëren moeten we ze benutten als onze gedeelde kracht. We kunnen de elementen bij elkaar optellen in plaats van ze van elkaar af te trekken.

We kunnen én Schaarbekenaar, én Turks, én Franstalig zijn, en deel uitmaken van de Brusselse worst. Het enige dat we nodig hebben is een project, een titel waar we allemaal op kunnen inhaken en waar we ons allemaal in vertegenwoordigd zien, in plaats van terug te plooien op onze veilige identiteit aangereikt door gegeven feiten die niks te maken hebben met onze keuzes. We hebben een begrip nodig dat ons verenigt, opdat we ‘de ander’ in de eerste plaats erkennen als mede-inwoner van onze stad. We moeten ons terug Brusselaar voelen. We moeten er doelbewust voor kiezen, om ons Brusselaar te voelen. 

Ellis-Island aan de Zenne

Want we hebben dan misschien onze problemen, we hebben ook veel om trots op te zijn. Nergens anders in België zijn burgers meer betrokken bij het beleid dan hier, wat recentelijk nog maar eens werd bewezen met de geplande herinrichting van het Saincteletteplein. We hebben een gigantisch en jong potentieel, we zijn gezwind en passen ons makkelijk aan nieuwe situaties aan. We zijn levensgenieters, met een rijk – en goed ingeburgerd – horecabestand. We hebben Zwangere Guy en Lous and the Yakuza. We hebben onze art-nouveau. We hebben Arno. We zijn een stad van immigranten, altijd al geweest. We zijn een Ellis-Island aan de Zenne, en daar moeten we trots op zijn. We zijn een stad zo gedrenkt in persvrijheid en een open blik dat Karl Marx hier in alle rust kon schrijven, en nu we stilaan kunnen beginnen dromen van een bestaan zonder sociale coronabubbels, kunnen we ook meteen uit onze intra-Brusselse bubbels breken. 

Het ligt in onze eigen handen, we dragen zelf de verantwoordelijkheid. We kunnen de metropool zijn die we beweren te zijn. En daarom zeg ik, in het Nederlands, in het Frans, het Urdu, het Kantonees, het Turks, het Engels, het Lingala, het Spaans en het Berbers, en geheel in lijn met onze traditie: Brusselaars aller landen, Brusselaars aller gemeenten, verenigt u!

Over de auteur: Eva De Gelder is redacteur bij Free.Brussels
en auteur van het boek ‘Canis’.

Laat een bericht na